Afbeelding
IN GESPREK MET

‘Het blijft fascinerend om deze grote uil in het echt te zien’

Human Interest 2.225 keer gelezen

UDEN | De fascinatie voor vogels begon bij Jan Staal uit Uden al op jonge leeftijd. Hij liep met roofvogels door de wijk, doet kwartelonderzoek, en is betrokken bij het beschermen en ringen van oehoes. Tijd om te luisteren naar zijn passie voor vogels en natuur.

door Henk Lunenburg

Jan is een geboren Noorderling (Groningen). Hij is op 27 augustus 1948 geboren in Hornhuizen, gemeente Kloosterburen, als tweede in een gezin van zes kinderen, vier jongens en twee meisjes.

Hoe verliep je schoolcarrière?
“Ik ging in Kloosterburen naar de lagere school. Aan het einde van het zesde leerjaar verhuisden we naar Delfzijl, waar mijn vader hoofd werd van een machineafdeling van de Nederlandse kabelfabriek. Ik deed in mijn jeugd aan voetballen en keek vogels. Vogels spotten heb ik op jonge leeftijd al van mijn vader met de paplepel meegekregen. Ik moest van hem een beroep leren dus volgde ik de opleiding timmeren op de LTS in Appingedam. Omdat ik goed kon tekenen werd ik na de LTS bouwkundig tekenaar. In navolging van een vriendje heb ik nadien bij de marechaussee gesolliciteerd. 14 dagen na de keuring in Nijmegen zat ik op 18-jarige leeftijd al op de opleiding in Apeldoorn. Na de opleiding tot marechaussee heb ik een jaar bij paleis Soesdijk en kasteel Drakestein dienstgedaan. Daarna volgden plaatsingen in Denekamp, Breda en Eindhoven. In 1972 werd ik, na mijn onderofficiersopleiding, gestationeerd in Uden. Enkele jaren later werd ik plaatsvervangend brigadecommandant. Na verschillende cursussen en opleidingen maakte ik carrière en werd ik middenmanagement officier. Uiteindelijk heb ik mijn loopbaan afgesloten na de brigadecommandantenfuncties en ben ik met ‘pensioen’ gegaan.”

Waar en wanneer heb jij je vrouw leren kennen?
“Leny (Leonie) woonde in Appingedam en kwam in de weekenden naar de Rooms-katholieke sociëteit in Delfzijl. Daar leerde ik haar kennen. Zij werkte op de eeg-afdeling van het RK ziekenhuis in Groningen. In 1967 kregen we verkering en datzelfde jaar kreeg haar vader een docentenbaan in Breda en verhuisde haar familie naar Roosendaal. Leny werd hoofd van de eeg-afdeling in het Mariaziekenhuis in Tilburg. In december 1969 trouwden we voor de wet en in juni 1970 voor de kerk. We woonden even bij mijn schoonouders op zolder en kregen daarna een flat in Eindhoven. In 1972 verhuisden we naar Uden, waar onze twee zonen zijn geboren. We hebben nu ook drie kleinkinderen.”

Welke activiteiten of hobby’s deden jullie als gezin?
“Niemand uit ons gezin deelde verder mijn interesse in vogels. Onze oudste zoon zat op voetbal en taekwondo, en de jongste (inmiddels overleden) op taekwondo en kickboksen. Ik had Oostenrijkse valkeniersvrienden, daardoor kwam ik - soms met gezin - regelmatig in Oostenrijk. Zij kwamen ook één keer per jaar naar Nederland op jachtvakantie.”

In de Bitswijk was jij bekend omdat je met roofvogels door de wijk liep. Hoe zit dat?
“Ik ben 35 jaar valkenier geweest en maakte vaak een wandeling door de Bitswijk met havik of slechtvalk en de hond. Van het Nederlandse valkeniersverbond Adriaan Mollen ben ik 21 jaar ornithologisch secretaris/bestuurslid geweest. Daarnaast had ik een door Vogelbescherming erkend vogelasiel. Ongeveer 25 jaar geleden ben ik met beide zaken gestopt. Ik was bekend met oude vogelvangmethodes. In Groningen met het ‘flappen’ van goudplevieren, en tevens met het ganzenflappen. Voor beide organisaties heb ik er als bestuurslid mede aan bijgedragen dat deze vangmethoden voor wetenschappelijk ringonderzoek onveranderd konden blijven bestaan. Toen ik naar Brabant verhuisde, ontdekte ik ook de traditionele kwartelvangst. Kwartels zijn trekvogels. Dit jaar doe ik al voor het 25e jaar kwartelonderzoek, waarbij ik samenwerk met onderzoekers van de Universiteit van Barcelona. In Zuid-Europa worden gekweekte hybride kwartels uitgezet voor de jacht. In de natuur paren ze ook met originele Europese kwartels. Een deel van het onderzoek behelst: ‘In hoeverre treedt er genetische vervuiling op die het trekgedrag kan beïnvloeden?’”


Waar doe je nog meer onderzoek naar kwartels?
“Elk jaar vang ik ook kwartels in onder andere het LOFAR-gebied - terrein van Drents Landschap -, en in Noord-Brabant in onder meer gebieden van het Brabants Landschap doe ik onderzoek naar kwartels. Tussen Buinen en Exloo ligt op kleine terpen een groot radioantenneveld (LOFAR) waarmee de ruimte onderzocht wordt. Dit vogelrijk moeras- en graslandengebied bestaat uit onder meer kwelmoeras en staat garant voor het ontstaan van bijzondere natuurwaarden. De gevangen kwartels worden geringd, gemeten en bemonsterd en weer losgelaten. In samenwerking met de beheerders wordt het maaibeheer optimaal afgestemd op onder meer de kwartels. Ik heb een algehele ringmachtiging waarbij ik alle soortgroepen vogels mag ringen met elk vangmiddel. Tevens heb ik een ontheffing voor de Wet op de dierproeven. Ik mag voor onderzoek bloed afnemen(kwartels), zenders aanleggen(patrijzen) en veren(kwartels) trekken. Ook ben ik 12 jaar (waarvan 10 voorzitter) bestuurslid van de Ringersvereniging geweest en heb tevens deel uitgemaakt van het managementteam van het Vogeltrekstation (VT). Het VT is onderdeel van het Nederlands Instituut voor ecologie/KNAW.”

Is er veel belangstelling voor jouw kennis van zaken over vogels vangen en ringen?
“Tussen Oss en Rosmalen ligt een weidevogelgebied De Beerse Overlaet. Daar heb ik een ringersgroep opgericht om weidevogels voor onderzoek te vangen, kleurringen enzovoorts. Daar heb ik zelf de laatste 8 jaar mensen voor opgeleid, die nu ook participeren. Op dit moment heb ik nog steeds twee personen in opleiding, ook voor andere soorten. Ik ben mentor, instructeur en examinator en draag zo mijn kennis over. Zelf ben ik ondertussen rond 30 jaar actief in de vogelringwereld. In diverse vakbladen en kranten hebben artikelen gestaan over mijn veldwerk. Ik heb diverse interviews gegeven. Het kwartelproject is op Drenthe TV en het NOS Journaal uitgezonden geweest.”

En dan is er ook nog de oehoe.
“De oehoe is in Nederland nog steeds een redelijk zeldzame broedvogel met in 2024 103 territoria. Gelukkig breidt de soort zich ook uit in de gemeente Maashorst; inmiddels hebben we vier oehoe-paren die hier broeden. Hiermee hebben wij een redelijk dicht bezet gebied. De kuikens krijgen veel zoogdieren, met name ratten, maar ook allerlei vogels te eten. Het blijft fascinerend om deze grote uil in het echt te zien. Vanwege risico op verstoring is het niet mogelijk om oehoes en nesten te laten zien. Met de Werkgroep Oehoe ben ik jaarlijks betrokken bij het ringen van de kuikens. Er is van het ringen een filmpje gemaakt dat te zien is op YouTube. Op dat filmpje zie je dat een van de kuikens door een professionele klimmer uit het nest wordt gehaald. Die stopt hij in een leren tasje en laat die via een touw naar de grond zakken. Beneden wordt de jonge vogel door mij dan geringd, gewogen en gemeten. Daarna wordt hij teruggezet. Zo worden ze allemaal behandeld. Het aantal kuikens kan per nest verschillen. Voor de oehoe werk ik samen met mensen van de Vogelwacht Uden en de terreinbeheerder van de gemeente Maashorst.”

Wat moet je doen als je een oehoe treft?
“Als je een jonge oehoe ergens in het natuurgebied op de grond aantreft, laat deze dan met rust. De oudervogels zijn vaak in de buurt en brengen voedsel. Als men denkt dat het jong toch hulp nodig heeft kun je in de gemeente Maashorst contact opnemen met: Chris van Lieshout (06 37610175), Wim Janssen (06 22790419) of mij (06 27052995). Buiten de gemeente kan ook de Werkgroep Oehoe benaderd worden. Mocht je ooit een dode of gewonde geringde vogel aantreffen dan vragen wij je om de gegevens met ringnummer op de website van het Vogeltrekstation digital in te voeren. Je krijgt hiervan altijd een terugmeldingsreactie. Het is erg belangrijk en voor jou leuk om iets meer van je vondst te weten.”

Stuur jouw foto
Mail de redactie
Meld een correctie

Uit de krant